Al wat is, is in God en zonder God kan niets zijn noch denkbaar zijn.
Al wat is, is in God, en niets kan zonder God zijn noch gedacht worden.
Bewijs: Zonder God kan geen enkele substantie bestaan of denkbaar zijn (volgens Stelling 14), d.w.z. (volgens definitie 3) iets dat op zichzelf is en door zichzelf wordt begrepen. Welnu, modi (volgens definitie 5) kunnen noch bestaan, noch denkbaar zijn zonder substantie; want die modi kunnen alleen in de goddelijke natuur bestaan en kunnen alleen door die natuur worden voortgebracht. Maar er is niets dan substanties en modi (volgens axioma 1). Dus zonder God kan niets bestaan, noch denkbaar zijn.
Scholium: Sommigen stellen zich voor dat God als een mens is, bestaande uit een lichaam en een geest, en onderworpen aan emoties. Maar hoezeer ze ook afdwalen van de ware kennis van God, blijkt duidelijk uit wat hier al is bewezen. Maar dat interesseert me niet. Want iedereen die op enigerlei wijze over de goddelijke natuur heeft nagedacht, ontkent dat God lichamelijk is. Dat wordt ook voldoende bewezen door het feit dat we onder een lichaam een bepaalde hoeveelheid lengte, breedte en diepte verstaan, begrensd door een bepaalde vorm; Niets kan absurder zijn dan zoiets te beweren over God, die juist een absoluut onbegrensd wezen is. Maar ondertussen lijkt het overduidelijk dat ze met andere redeneringen, waarmee ze hetzelfde proberen te bewijzen, dezelfde lichamelijke of uitgebreide substantie volledig onttrekken aan de goddelijke natuur en beweren dat deze uitgebreidheid door God geschapen is. Maar vanuit welk goddelijk vermogen dat geschapen zou kunnen zijn, weten ze helemaal niet. Het is duidelijk dat ze niet begrijpen wat ze beweren. Ik heb in ieder geval, althans naar mijn mening, voldoende duidelijk bewezen (zie de logische gevolgtrekking van stelling 6 en het tweede scholium bij stelling 8) dat de ene substantie onmogelijk door een andere kan worden voortgebracht of geschapen. Verder tonen we in stelling 14 aan dat er los van God geen andere substantie kan bestaan of denkbaar is. En daarom concluderen we dat de uitgebreidheid van substantie een van de oneindig vele eigenschappen van God is. Ik zal echter, ter verduidelijking, de argumenten van mijn tegenstanders weerleggen, die allemaal hierop neerkomen: ten eerste, dat de lichamelijke substantie, als substantie, naar hun mening uit delen bestaat. En daarom ontkennen ze dat ze onbeperkt kan zijn en dat ze toepasbaar zou zijn op God. Ze leggen dit zelfs uit met vele voorbeelden, waarvan ik er enkele zal aanhalen. Als de lichamelijke substantie oneindig is, zeggen ze, is het denkbaar dat ze in twee delen kan worden verdeeld; elk deel zal dan ofwel beperkt ofwel onbeperkt zijn. In het eerste geval bestaat het oneindige bijgevolg uit twee eindige delen, wat absurd is. In het tweede geval zou er dan een oneindigheid zijn die twee keer zo groot is als een andere oneindigheid, wat eveneens absurd is. Verder: als een oneindige hoeveelheid wordt gemeten in stukken ter grootte van een voet, dan moet ze uit oneindig veel van dergelijke stukken bestaan, en dat geldt ook wanneer ze wordt gemeten in stukken ter grootte van een duim; en om deze reden zal het ene oneindige getal twaalf keer zo groot zijn als het andere oneindige getal. En ten slotte: stel dat men vanuit een punt in een gegeven ruimte met oneindige dimensies twee lijnen, AB en AC, in een oneindige richting trekt, die aanvankelijk een welbepaalde afstand hebben; het is zeker dat de afstand tussen B en C zal blijven toenemen en uiteindelijk van welbepaald naar onbepaald zal overgaan.
Omdat zij denken dat deze absurditeiten voortvloeien uit de aanname dat er een oneindige hoeveelheid bestaat, concluderen zij dat een fysieke substantie eindig moet zijn en daarom God niet kan treffen. Het tweede argument berust eveneens op de opperste perfectie van God. Want, zeggen zij, aangezien God een zeer volmaakt wezen is, kan hij niets ondergaan; maar een fysieke substantie kan wel iets ondergaan, omdat ze deelbaar is. Bijgevolg kan het niet op God van toepassing zijn. Dit zijn de argumenten die ik aantref bij auteurs die proberen aan te tonen dat een lichamelijke substantie de goddelijke natuur onwaardig is en er ook niet toe kan behoren. Maar inderdaad, wie oplet, zal merken dat ik het al heb beantwoord, aangezien die argumenten slechts gebaseerd zijn op hun veronderstelling dat de fysieke substantie uit delen bestaat; Ik heb al aangetoond (stelling 12 samen met de logische gevolgtrekking van stelling 13) dat dit absurd is. Bijgevolg: als men de zaak op de juiste manier wil bekijken, zal men zien dat al die absurditeiten (hoewel ze allemaal absurd zijn, maar dat betwist ik nu niet) waaruit men wil concluderen dat de omvang van de substantie eindig is, ten minste te wijten zijn aan de onbegrensdheid, maar niet aan hun kwantumaanname van een meetbare oneindige hoeveelheid die uit eindige delen bestaat. Om die reden kunnen ze
