H1 Definitie 4

Ik versta onder attribuut wat het intellect waarneemt van de substantie als iets dat haar essentie uitmaakt.

De vorige definitie ging over substantie. Als wij met ons intellect daarop reflecteren moeten we gaan ontdekken wat essentieel is voor substantie.

Losse, eindige dingen zijn niet essentieel voor een substantie. Eindige dingen, zoals een stoel komen en gaan. Als je gaat kijken waar een stoel van gemaakt is, kom je uiteindelijk bij iets uit, waar alle materiele dingen van gemaakt zijn. Spinoza noemt dit oerspul een attribuut van de substantie. Later zal hij dit attribuut ‘ de uitgebreidheid’ noemen. Dit attribuut wordt uiteraard grondig bestudeerd door de wetenschap. Massa, energie, beweging, ruimte en tijd, zijn een paar bouwstenen waarmee dit attribuut beschreven kan worden.( De natuurkunde is bezig om al deze losse bouwstenen samen te brengen in een ’theorie van alles’. Spinoza zegt niet dat dit uiteindelijk alles is. Deze uitgebreidheid, die wij straks kunnen beschrijven met de ’theorie van alles’, laat slechts zien hoe wij als mens al onze waarnemingen beschrijven en verklaren.)

Ons intellect neemt ook het attribuut ‘denken’ waar. Bij ‘denken’ hoort voor Spinoza ook: willen, begrijpen, liefhebben, Wij zouden dit nu misschien eerder ‘bewustzijn’ noemen. We moeten daarbij dan wel denken aan één groot bewustzijn waar ideeën met rede aan elkaar verbonden zijn.