H1 Stelling 14

Buiten God kan er geen enkele substantie bestaan of denkbaar zijn.

Behalve God kan geen zelfstandig wezen bestaan noch gedacht worden.

Spinoza heeft naar deze stelling toegewerkt. Er is slechts 1 substantie en er is daar dan ook niet iets buiten.


DEMONSTRATIE: Aangezien God een absoluut oneindig wezen is, aan wie geen enkel attribuut dat de essentie van de substantie uitdrukt, kan worden ontkend (volgens definitie 6) en dat noodzakelijkerwijs bestaat (volgens propositie 11), zou, indien er een substantie los van God zou worden bedacht, deze verklaard moeten worden door een attribuut van God en zouden er dus twee substanties van hetzelfde attribuut bestaan, wat (volgens propositie 5) absurd is en daarom kan er geen substantie buiten God bestaan en bijgevolg ook niet worden bedacht. Want als het bedacht kon worden, zou het noodzakelijkerwijs als bestaand moeten worden bedacht; maar dit (volgens het eerste deel van deze demonstratie) is absurd. Daarom kan er geen enkele substantie buiten God worden gegeven of bedacht. Q.E.D.
CONCLUSIE I: Hieruit volgt zeer duidelijk dat 1° God uniek is, dat wil zeggen (per definitie 6) dat er in de aard der dingen slechts één substantie is en dat deze absoluut oneindig is, zoals we al hebben aangegeven in de noot bij propositie 10.
CONCLUSIE II: Hieruit volgt dat de uitgebreidheid en het denken ofwel eigenschappen van God zijn ofwel (volgens axioma 1) modificaties van God.

Deze God van Spinoza komt voor mij sterk overeen met Brahman uit de Indiase Advaita Vedanta advaita betekent niet twee., wat volgens Spinoza (brief 50) niet hetzelfde is als één.

Verder, wat de bewijsvoering aangaat die ik vastlegde in de Appendix bij de bewijsvoering van Descartes’ Principia, namelijk dat men van God niet anders dan zeer ongepast kan zeggen dat hij één is of uniek: daarop is mijn antwoord dat iets uitsluitend vanuit het standpunt van de existentie en niet vanuit de essentie één of uniek kan genoemd worden; wij beschouwen de zaken enkel als telbaar wanneer zij teruggevoerd worden tot een gemeenschappelijke soort. Als men bijvoorbeeld een munt in de hand houdt van één cent en van één euro, zal men niet denken aan een tweevoudig getal, tenzij men die cent en die euro met een en dezelfde naam kan noemen, namelijk die van munten of geldstukken. Want dan pas kan men zeggen dat men twee munten of twee geldstukken heeft, omdat men niet alleen de cent maar ook de euro met de naam van munt of geldstuk aanduidt. Daaruit blijkt duidelijk dat men niets één of uniek noemt tenzij men zich een concept heeft gevormd van iets anders dat zoals men zegt daarmee overeenstemt. Maar aangezien Gods existentie zijn essentie is en wij ons over zijn essentie geen universeel idee kunnen vormen, staat het vast dat wie God één of uniek noemt geen waar idee heeft over God, of ongepast over hem spreekt.