H1 Stelling 13

Een absoluut oneindige substantie is ondeelbaar.

Voor Spinoza is het belangrijk om aan te tonen dat een substantie ondeelbaar is. Lang niet iedereen was het daar mee eens. In de Christelijke traditie is alleen God een ware oneindige substantie. De menselijke ziel is in at geloof door God gemaakt, en dus niet eigen oorzaak, beperkt en afhankelijk van God. Materiele substanties zoals een menselijk lichaam zijn volgens de Christelijke kerk beperkt, deelbaar en niet eeuwig. God heeft de menselijke ziel geschapen, die als een zelfstandige entiteit met een eigen vrije wil los kan bewegen van God. Hier was Spinoza het dus niet mee eens, en onder andere hierom is hij zeer lang verketterd.

Axioma 1 zegt: Al wat is, is ofwel in zichzelf ofwel in iets anders. Als een menselijke ziel gemaakt is door God, dan is die ziel in God en niet in zichzelf en dus geen substantie maar een modificatie van God.  De substantie bestaat dus niet uit delen. Wij moeten dus niet denken dat we een losstaand zelfstandig wezen zijn.

Het lijkt er natuurlijk wel op dat een substantie gedeeld kan worden.

Ik loop naar links, jij loopt naar rechts: wij zijn gescheiden van elkaar. Als wij spreken van een scheiding in ruimte en tijd, dan klopt het natuurlijk in relatieve zin. Spinoza zegt echter dat wij beiden een verschijningsvorm zijn in die ene substantie. Dus vanuit het perspectief van de substantie zijn we nog steeds in dat grote geheel. De gevolgen hiervan zullen later groot blijken.

In de wetenschap probeert men alles te begrijpen door het gedrag van de onderdelen waarvan iets gemaakt is. Een mens door haar organen, de organen door de cellen, de cellen door de moleculen de moleculen door de atomen, de atomen door de elementaire deeltjes. Dat is een reductionistische benadering: bottom-up. Spinoza zegt dat het nodig is om alles uiteindelijk te begrijpen vanuit de substantie: een top down benadering dus.

.