Dit hoofdstuk gaat over God. Nu was er en is er veel verwarring over wie of wat God is, en Spinoza gaat daarom zeer precies en stap voor stap te werk. Als je dit hoofdstuk bestudeert, wordt op een bepaald moment de vraag of je in god gelooft irrelevant. Als je Spinoza begrijpt, zal je weten, niet geloven, dat God bestaat. Dit zal voor veel mensen een totaal andere God zijn dan waar ze wel of niet in geloofd hebben.
Het hoofdstuk begint met een aantal definities, die hij nodig heeft om te omschrijven wat God volgens hem is. Dit is belangrijk omdat er veel verwarring ontstaat als we voor bij voorbeeld het woord ‘substantie’ verschillende ideeën hebben. De definities die Spinoza gebruikt zijn zijn definities, het heeft geen zin om te zeggen dat zijn definitie niet klopt omdat in het woordenboek een andere betekenis staat.
Vervolgens zal hij een aantal axiomas benoemen. Dit zijn absolute zekerheden voor hem. Het zal de nodige inspanning en denkwerk van de lezer vragen voordat deze waarheid bij haar doordringt…
Het derde gedeelte van hoofdstuk 1 zijn de stellingen die kunnen leiden tot een begrip van een allesomvattende, almachtige, oneindige God.
