Elk attribuut van de ene substantie moet men middels zichzelf begrijpen.
Elke eigenschap van een zelfstandig wezen moet door zich zelve gedacht worden.
Dit sluit uiteraard aan op de vorige stelling. Spinoza stelt dus één substantie voor met verschillende attributen. Om het voor ons tastbaar te maken, stellen wij ons twee attributen voor: de eerste is het attribuut ‘uitgebreidheid’ dat ruimte, tijd, materie, energie, elektromagnetische velden etc bevat. Het andere attribuut is ‘denken’ dat ons bewustzijn, ons gewaarzijn van gedachten, lichamelijke gevoelens, percepties van buiten, wensen, emoties etc omvat.
Deze twee attributen zijn twee verschillende manieren waarop wij die ene substantie waarnemen.
Ik versta onder attribuut wat het intellect waarneemt van de substantie als iets dat haar essentie uitmaakt.
Dat intellect zijn wij…Wij ervaren lichaam en geest als twee verschillende kanten van die ene diamant. Als we de uitgebreidheid onderzoeken, kunnen we dat beschrijven met de natuurkundige wetten. Als we het denken onderzoeken kunnen we dat doen met ideeën.
Het is namelijk eigen aan de natuur van de substantie dat elk van de attributen ervan middels zichzelf beschouwd wordt, aangezien immers al de attributen die ze heeft altijd tezamen in haar waren, en het ene attribuut niet door een ander kan voortgebracht worden, maar elk attribuut de werkelijkheid, of het zijn, van de substantie uitdrukt. Het is dus bijlange niet absurd om aan één substantie verscheidene attributen toe te kennen.
