H1 Stelling 8

Elke substantie is noodzakelijkerwijs onbeperkt

Elk zelfstandig wezen is noodzakelijk oneindig.

Wat zou een substantie kunnen begrenzen?

Een andere substantie met hetzelfde attribuut (van hetzelfde spul) ? Ons lichaam kan door van alles begrensd worden, bij voorbeeld door gevangenismuren, maar een substantie bevat alle denkbare materie die er bestaat. Een materiële grens zou dus ten onrechte als een aparte substantie gezien worden. In werkelijkheid is maar één substantie met het attribuut ‘uitgestrektheid’.

Kan de ene substantie begrensd worden door een substantie met een ander attribuut? Volgens Spinoza kennen wij twee attributen: ‘uitgebreidheid’ en ‘denken’. Twee termen die bij ons onmiddellijk tot verwarring leiden. Wij spreken eerder over ‘lichaam en geest” ‘mind and matter’. Als je jezelf de vraag stelt: ‘kun je het universum met je geest fysiek begrenzen?’ Dan lijkt het antwoord duidelijk. Maar de vraag “kan ik met mijn geest mijn lichaam in beweging zetten?”, zal door de meest mensen met ja beantwoord worden. Maar nogmaals: hoe dat dan precies werkt, weet niemand ! Spinoza heeft hier een originele visie op en die zal vooral in hoofdstuk twee behandeld worden.

Kan een substantie begrensd worden door het ‘niets’? Als dit ‘niets’ het kan begrenzen, moet dit ‘niets’ dus iets materieels hebben en daarmee houdt het op een ‘niets’ te zijn.

Scholium 2 Ik twijfel er niet aan dat het voor al diegenen die dingen verward beoordelen en niet gewend zijn om dingen te kennen via hun eerste oorzaken, moeilijk is om het bewijs van stelling 7 te vatten; Dat komt doordat ze geen onderscheid maken tussen de modificaties van substanties en de substantie zelf. Ook weten ze niet hoe dingen ontstaan. Vandaar dat zij aan substanties het principe toeschrijven dat zij bij natuurlijke dingen aantreffen; Want zij die de ware oorzaken van de dingen niet kennen, verwarren alles en stellen zich, zonder enige geestelijke tegenzin, voor dat zowel bomen als mensen spreken en dat mensen net zo goed uit stenen als uit zaden gevormd zijn en dat elke vorm in elke andere kan worden veranderd. Zo is het ook met degenen die het goddelijke met de menselijke natuur verwarren, die menselijke gevoelens gemakkelijk aan God toeschrijven, vooral als ze ook niet weten hoe gevoelens in de geest tot stand komen. Maar als mensen aandacht zouden besteden aan de aard van de substantie, zouden ze helemaal geen twijfel meer hebben over de waarheid van de stelling; Deze stelling zou inderdaad een axioma voor iedereen zijn en tot het algemene begrip gerekend worden. Want onder substantie zouden zij datgene verstaan ​​wat op zichzelf bestaat en door zichzelf wordt begrepen, dat wil zeggen, datgene waarvan de kennis geen kennis van iets anders vereist. Onder vormveranderingen zouden ze dan verstaan die zaken die in iets anders zijn en waarvan het concept gevormd wordt door het concept van datgene waarin ze zijn.. Daarom kunnen we ware ideeën hebben over niet-bestaande modificaties, want hoewel ze feitelijk niet buiten het intellect bestaan, wordt hun essentie toch zo begrepen in een ander dat ze door middel van hetzelfde begrepen kunnen worden. Maar de waarheid van de substanties bevindt zich niet buiten het intellect, behalve in zichzelf, omdat ze door zichzelf worden bedacht. Wanneer iemand dus zou zeggen dat hij een helder en onderscheiden, dat wil zeggen waar, idee heeft van een substantie en desondanks twijfelt of zo’n substantie wel bestaat, dan zou dat, volgens Hercules, hetzelfde zijn als wanneer hij zou zeggen dat hij een waar idee heeft en desondanks twijfelt of het wel onwaar is (zoals duidelijk is voor iedereen die voldoende oplet); of wanneer iemand vaststelt dat de substantie geschapen is, dan stelt hij tegelijkertijd vast dat een verkeerd idee tot werkelijkheid is gemaakt, waaraan niets absurders meer kan worden gedacht. En dus moet noodzakelijkerwijs worden toegegeven dat het bestaan ​​van de substantie, net als haar essentie, een eeuwige waarheid is. En hieruit kunnen we op een andere manier concluderen dat er slechts één exemplaar van dezelfde aard bestaat. Ik vond het de moeite waard om dat hier te laten zien. Om dit in de juiste volgorde te doen, moet echter worden opgemerkt dat

1° de ware definitie van elk ding niets inhoudt of uitdrukt dat verder gaat dan de aard van het gedefinieerde ding. Hieruit volgt dit

2°, namelijk dat geen enkele definitie een bepaald aantal individuen omvat of uitdrukt, omdat zij niets anders uitdrukt dan de aard van het gedefinieerde ding. De definitie van een driehoek drukt bijvoorbeeld niets anders uit dan de eenvoudige aard van de driehoek; maar niet een bepaald aantal driehoeken.

3° Er dient rekening mee te worden gehouden dat er voor elk bestaand ding noodzakelijkerwijs een bepaalde oorzaak moet zijn waardoor het bestaat.

4° Ten slotte dient opgemerkt te worden dat de oorzaak waardoor een ding bestaat, óf vervat moet zijn in de aard en de definitie zelf van het bestaande ding (dat wil zeggen dat het tot zijn aard behoort om te bestaan), óf daarbuiten gegeven moet zijn. Als we deze zaken veronderstellen, volgt daaruit dat, als er in de natuur een bepaald aantal individuen bestaat, er noodzakelijkerwijs een reden moet zijn waarom die individuen bestaan ​​en waarom er niet meer of minder bestaan. Als er bijvoorbeeld 20 mannen in de natuur bestaan ​​(van wie ik omwille van de duidelijkheid aanneem dat ze tegelijkertijd bestaan ​​en dat er voordien geen anderen in de natuur bestonden), dan is het niet voldoende (namelijk om een ​​reden te geven waarom er 20 mannen bestaan) om de oorzaak van de menselijke natuur in het algemeen aan te tonen, maar is het ook nodig om de oorzaak aan te tonen waarom er niet meer of minder dan 20 mensen bestaan, aangezien (volgens Noot III) ieder van hen noodzakelijkerwijs een oorzaak moet hebben waarom hij bestaat. Maar deze oorzaak (volgens noot II en III) kan niet in de menselijke natuur zelf worden vervat, aangezien de ware definitie van de mens niet het getal twintig omvat. Daarom (volgens noot IV) moet de oorzaak waarom deze twintig mensen bestaan, en bijgevolg waarom ieder van hen bestaat, noodzakelijkerwijs buiten ieder van hen bestaan. Hieruit moet absoluut worden geconcludeerd dat alles waarvan de natuur door meerdere individuen kan bestaan, noodzakelijkerwijs een externe oorzaak moet hebben om te kunnen bestaan. Aangezien het tot de aard van een substantie behoort (zoals reeds in deze scholia is aangetoond), dat zij bestaat, moet haar definitie noodzakelijkerwijs bestaan ​​inhouden en moet haar bestaan ​​bijgevolg enkel uit haar definitie worden afgeleid. Maar uit de definitie ervan (zoals we al hebben aangetoond in de noten II en III) kan het bestaan ​​van vele substanties niet volgen; Hieruit volgt dus noodzakelijkerwijs dat er slechts één exemplaar van dezelfde aard bestaat, zoals werd voorgesteld. ​
Uitleg