God, of de substantie die bestaat uit oneindig veel attributen, waarvan elk attribuut de eeuwige en onbeperkte essentie uitdrukt, bestaat noodzakelijkerwijs.
God of het zelfstandige wezen met oneindig vele eigenschappen, waarvan elk de eeuwige en oneindige wezenheid uitdrukt, bestaat noodzakelijk.
Bestaat God? Ja, God bestaat. Sterker nog: “God bestaat noodzakelijkerwijs”. Dit is een absolute zekerheid die Spinoza bereikt uit de voorgaande definities, axiomas en stellingen.
Wat kunnen we nu zeggen over de God van Spinoza?
God is de totaliteit van alles wat bestaat, van het gemanifesteerde en het ongemanifesteerde, van alles wat we kennen, van alles wat we niet (kunnen) kennen. Van het bewustzijn, Van de leegte, van de ruimte, alles. Van alles wat ooit geweest is, van alles wat ooit zal zijn. Dus als je denkt: ja maar dit of dat hoort niet bij God, dan vergis je je, want ook dat hoort bij de God van Spinoza. Niet iedereen zal dit God willen noemen; voor deze mensen noemt Spinoza deze totaliteit ook wel de Natuur, met een hoofdletter. Het mag duidelijk zijn dat het bestaan van deze totaliteit, God, Natuur niet ontkend kan worden.
God is niet uit het (absolute) niets ontstaan. Dat lijkt logisch, maar blijkt niet voor iedereen vanzelfsprekend. Deze God is niet uit iets anders ontstaan. Dat ‘iets anders’ is immers al deel van deze God. De God van Spinoza is causa sui: oorzaak van zichzelf.
Deze God kan niet begrensd zijn in ruimte en tijd. Onbegrensdheid is moeilijk voor te stellen, maar kan wel begrepen worden. Neem bij voorbeeld maar een reeks getallen: 1, 2, 3…..
God bestaat uit oneindig veel attributen, wij kennen daar twee van: de ‘uitgebreidheid’ en het ‘denken’. Wat die attributen zijn, weet Spinoza ook niet. Wat hij hiermee wil benadrukken is dat God absoluut grenzeloos is, dat wij als mens echter beperkt zijn in de manier waarop wij God beschouwen.
OPMERKING van Spinoza
Want omdat het kunnen bestaan een kracht is, volgt daaruit dat hoe meer realiteit een ding in de natuur bezit, hoe meer kracht het heeft om vanuit zichzelf te bestaan. Zo heeft een absoluut oneindig Wezen of God een absoluut oneindige kracht om vanuit zichzelf te bestaan, en daarom onvoorwaardelijk bestaat.
Om te bestaan is volgens Spinoza een innerlijke kracht nodig. Later in de Ethica komt Spinoza hier nog op terug. Deze zo genaamde Conatus, dit streven om te blijven bestaan, zit in ieder ding / mens. Een steen heeft een grotere innerlijke kracht dan een zeepbel. Een gezond mens heeft een grotere innerlijke kracht dan een ernstig ziek mens. Als we deze lijn doortrekken, heeft en onbegrensd oneindig wezen een oneindige kracht, en dat is een mooi inzicht dat past bij de God waar we het hier over hebben.
